IJshockey

Speel de bal in het doel van de tegenstander en zorg dat de tegenstander dit niet bij jou doet.

Er zijn 2 teams met elk een eigen doel (van de muur af, zoals bij ijshockey).
Elke speler staat (op sokken) op 2 pittenzakken en heeft een hockeystick.

Je schuift door de zaal op de pittenzakken.
Je speelt de bal over en zorgt voor een goede positie in het spel waarbij je aangespeeld kan worden en probeert te scoren in het doel.

  • Je moet op de pittenzakken blijven.
  • Bij een doelpunt neem je in het midden uit.

Makkelijker

  • Je mag van elke plaats scoren.
  • Meer ballen. (wordt het meer een schietspel)
  • Van zowel voor als achterkant van het doel mag gescoord worden.

Moeilijker

  • Je mag alleen van dichtbij scoren.
  • De bal moet bij elke speler zijn geweest (of bijv. 5x samenspelen), voordat er gescoord mag worden.

Op rolschaatsen, skates of met waveboarden.

Reacties