Olympische Winterspelen – Langlaufen

Langlaufend het parcours afleggen.

1/3 zaal. Veel pylonen staan opgesteld in de vorm van een ovaal. Er zijn per leerling (die deelneemt) twee (statische) vloerdoekjes en twee één-meter-stokken.

De leerlingen oefenen de langlaufbewegingen alvorens zij een wedstrijdje tegen elkaar gaan spelen. Een goed hulpmiddel is het gebruik van statische vloerdoekjes. De leerlingen staan met elke voet op een statisch vloerdoekje. De zijkant/punten kunnen gemakkelijk om de schoen vast gemaakt worden of tussen de randen van de schoenen gestopt worden. Met behulp van één-meter stokken worden de langlaufstokken nagebootst.

Bij langlaufen wordt gebruik gemaakt van twee technieken: klassiek of skating. Bij deze activiteit proberen we de klassieke techniek na te doen. Je loopt als het ware waarbij je er voor zorgt dat je voeten over de grond naar voren glijden. Met de één-meter stokken ondersteun je de afzetbeweging van de benen waardoor je (normaal gesproken) gaat glijden.

(Soms zijn er uitleenorganisaties of verhuurorganisaties die langlaufski’s met wieltjes verhuren, ook deze zijn goed bruikbaar in de zaal).

  • Als je gaat rennen dan ben je diskwalificeert.
  • Zorg dat de doekjes goed vast zitten om, aan of tussen je schoenen.

Makkelijker

  • Grotere baan (= meer tijd om in te halen).
  • Kleinere baan (= sneller klaar).
  • Minder tegenstanders.

Moeilijker

  • Grotere baan (= meer tijd om te winnen).
  • Kleinere baan (= minder tijd om te winnen).
  • Meer tegenstanders.

Reacties